Donderdag, 12 augustus 2010
Parkeerplaats
In een straat van huisje, voortuintje en elk een eigen parkeerplaats voor de deur, woonde tot voor kort een vriend. Parkeren was voor hem nooit een probleem. Was de parkeerplaats voor zijn huis bezet, dan parkeerde hij naast zijn huis in een van de parkeerplaatsen in de zijstraat.
Enig nadeel was, dat hij vandaar minder zicht op zijn auto had. Dat zijn linkerbuurman diens tweede auto consequent op de parkeerplaats voor het huis van mijn vriend zette, vond deze vriend alleen vagelijk irritant. Algauw vond hij het zelfs leuk. Hij ontdekte dat, wanneer de parkeerplaats voor zijn huis toevallig of per ongeluk door een wildvreemd voertuig werd ingenomen –en dit voertuig later wegreed -de linkerbuurman meteen uit huis kwam om met zijn tweede auto de parkeerplaats te bezetten. Leuk om naar te kijken, wanneer de situatie zich voordeed en je het bij toeval zag. De vrouw van mijn vriend had in de slaapkamer aan de straatzijde haar werkkamer en zij was vanaf die ereloge geregeld getuige van het naarstig bezetten van de parkeerplaats. Het leek wel of buurman zijn tijd er graag aan besteedde. Daarnaast bleek de linkerbuurman in de loop der tijden geen prettige buur. Zijn feestjes gingen vaak uiterst rumoerig door tot ver na middernacht. In een straat waar naast de vrouwen ook het gros van de mannen een dagtaak hebben, werd een dergelijke verstoring van de nachtrust matig gewaardeerd. Zodoende resulteerde het burengerucht in buren die tijdens de middernachtelijke feesten bij buurman aanbelden. Daar kregen zij steevast een grote mond en de mededeling dat de bewoner van het huis in zijn eigen huis was en daarom zelf zou uitmaken wat hij in zijn eigen huis zou doen. In aansluiting hierop verscheen de politie, die in de loop der tijden tot twee keer toe de geluidsinstallatie had ingevorderd.
Echt populair was de buurman niet. Andere buren, veelal kleine zelfstandigen met diverse bedrijfjes, sprongen regelmatig bij elkaar bij.
Ze hadden er geen probleem mee, de buurman links te laten liggen.
Toen kon de achttienjarige zoon van mijn vriend bij een openbare verkoop bij de Domeinen een vrachtwagen kopen voor een ontstellend laag bedrag. Een echt opknappertje, ook al werd besloten de
groenbruine camouflagebeschildering te handhaven. Voor de zoon en zijn vrienden was het in optima forma brengen van het kavalje geen probleem; ze hadden allen hun papieren voor automonteur op zak. Het duurde even voor linkerbuur wegreed, maar toen kwam de parkeerplaats voor het huis van mijn vriend vrij voor de vrachtwagen. Vanaf haar post belde de moeder de kornuiten en even later stond de aanwinst op zijn plaats. De linkerbuurman zou voortaan zijn tweede auto in de zijstraat moeten parkeren. Want de vrachtwagen stond en bleef staan. De eerste tijd zagen vriend, vrouw en zoon hun buurman en diens zoon regelmatig bij de vrachtwagen staan kijken en praten. Ze melden zich niet en keerden onverrichtterzake naar hun eigen oprit terug.
Nog een keer kwam de parkeerplaats vrij. De zoon van mijn vriend kwam ’s ochtend om drie uur vroeg thuis en besloot met twee kameraden een blokje om te rijden. Ze reden een krap blokje en keerden binnen vijf minuten terug naar hun eigen parkeerplaats.
De buurman stond buiten, bij zijn auto. Hij stond in pyjama met een haastig overgeschoten regenjas en de autosleutels in zijn hand, klaar om zijn tweede auto op de parkeerplaats te deponeren. Met afgezakte schouders keerde hij in zijn woning terug. De avond daarop was er elders in de straat een verjaardag en zorgde mijn vriend dat het gegniffel niet van de lucht was.
(zie ook andere columns op www.macberlijn.nl en www.vitaal.nl)
Enig nadeel was, dat hij vandaar minder zicht op zijn auto had. Dat zijn linkerbuurman diens tweede auto consequent op de parkeerplaats voor het huis van mijn vriend zette, vond deze vriend alleen vagelijk irritant. Algauw vond hij het zelfs leuk. Hij ontdekte dat, wanneer de parkeerplaats voor zijn huis toevallig of per ongeluk door een wildvreemd voertuig werd ingenomen –en dit voertuig later wegreed -de linkerbuurman meteen uit huis kwam om met zijn tweede auto de parkeerplaats te bezetten. Leuk om naar te kijken, wanneer de situatie zich voordeed en je het bij toeval zag. De vrouw van mijn vriend had in de slaapkamer aan de straatzijde haar werkkamer en zij was vanaf die ereloge geregeld getuige van het naarstig bezetten van de parkeerplaats. Het leek wel of buurman zijn tijd er graag aan besteedde. Daarnaast bleek de linkerbuurman in de loop der tijden geen prettige buur. Zijn feestjes gingen vaak uiterst rumoerig door tot ver na middernacht. In een straat waar naast de vrouwen ook het gros van de mannen een dagtaak hebben, werd een dergelijke verstoring van de nachtrust matig gewaardeerd. Zodoende resulteerde het burengerucht in buren die tijdens de middernachtelijke feesten bij buurman aanbelden. Daar kregen zij steevast een grote mond en de mededeling dat de bewoner van het huis in zijn eigen huis was en daarom zelf zou uitmaken wat hij in zijn eigen huis zou doen. In aansluiting hierop verscheen de politie, die in de loop der tijden tot twee keer toe de geluidsinstallatie had ingevorderd.
Echt populair was de buurman niet. Andere buren, veelal kleine zelfstandigen met diverse bedrijfjes, sprongen regelmatig bij elkaar bij.
Ze hadden er geen probleem mee, de buurman links te laten liggen.
Toen kon de achttienjarige zoon van mijn vriend bij een openbare verkoop bij de Domeinen een vrachtwagen kopen voor een ontstellend laag bedrag. Een echt opknappertje, ook al werd besloten de
groenbruine camouflagebeschildering te handhaven. Voor de zoon en zijn vrienden was het in optima forma brengen van het kavalje geen probleem; ze hadden allen hun papieren voor automonteur op zak. Het duurde even voor linkerbuur wegreed, maar toen kwam de parkeerplaats voor het huis van mijn vriend vrij voor de vrachtwagen. Vanaf haar post belde de moeder de kornuiten en even later stond de aanwinst op zijn plaats. De linkerbuurman zou voortaan zijn tweede auto in de zijstraat moeten parkeren. Want de vrachtwagen stond en bleef staan. De eerste tijd zagen vriend, vrouw en zoon hun buurman en diens zoon regelmatig bij de vrachtwagen staan kijken en praten. Ze melden zich niet en keerden onverrichtterzake naar hun eigen oprit terug.
Nog een keer kwam de parkeerplaats vrij. De zoon van mijn vriend kwam ’s ochtend om drie uur vroeg thuis en besloot met twee kameraden een blokje om te rijden. Ze reden een krap blokje en keerden binnen vijf minuten terug naar hun eigen parkeerplaats.
De buurman stond buiten, bij zijn auto. Hij stond in pyjama met een haastig overgeschoten regenjas en de autosleutels in zijn hand, klaar om zijn tweede auto op de parkeerplaats te deponeren. Met afgezakte schouders keerde hij in zijn woning terug. De avond daarop was er elders in de straat een verjaardag en zorgde mijn vriend dat het gegniffel niet van de lucht was.
(zie ook andere columns op www.macberlijn.nl en www.vitaal.nl)
Dinsdag, 10 augustus 2010
Op schreeuwafstand
Om tien over zeven is het nog geen half acht. Wie daar op heeft durven rekenen, moet er van uitgaan dat zijn onbeduidendheid met sprongen vooruit is gegaan. Niets is kennelijk linker dan zijn linkerbeen. Een buitenbeentje, maar wel een van bijzondere betekenis. Stuipen waren hem op het lijf geschreven. Favoriet dierentuindier, tevens oude vriend. Spierbundels welke uit zijn jasje puilen, maken duidelijk dat hier een ezel bereid is zijn paardenkrachten te demonstreren. Huilebalk, stevig genoeg om 's werelds complete ellende in tweevoud te torsen. Natje en droogje, voor het karretje gespannen een uurtje weg dat algauw een dagje wordt. Het is een voorproefje van het lek als een mandje, de eindjes aan elkaar knopen. Wat ieder sukkel lukt, kan elk van ons uitstekend.
Heel aardig, maar niet om binnen te laten en buiten zie ik deze sukkel het liefst aan de andere kant van de straat. Zo 'n hond die pas na langdurig uitlaten op een gure novemberdag bereid is om tenslotte in de woning zijn behoefte te doen. Op plotse en intense belasting van zijn beperkte denkvermogen is Knotsknuppel in het geheel niet voorbereid. Hij kijkt naar het echtpaar in de villa aan de overkant van de straat. Zij staan voor ieder zichtbaar voor het grote raam van hun huiskamer. Beurtelings slaan ze elkaar, wijken ze naar achteren, gooien met alles wat hen in de handen komt. Knotsknuppel ziet dat hun tegenslagen groter zijn, naarmate zij zelf zijn mislukt.
Maar geen van de twee weet kennelijk niet waarom niet.
Wanneer dit de kracht van schreeuwen bewijst, weet Knotsknuppel niet meer welke theorie hij nu weer denkt te moeten verzinnen. Het lijkt hem leuk voor ieder die er verstand van heeft. Weten dat je een stomkop bent, maakt een stomkop meteen veel slimmer dan de meeste stommelingen.
Man en vrouw achter het raam willen een spiritueel platform vormen, voor al die schipbreukelingen die drijvend op de levenszee op zoek zijn naar houvast. Vanuit die inspiratie zijn beiden benieuwd naar de overtuiging van anderen. Wat Knotsknuppel waarneemt is een pauze in die inspiratie, geen pauze voor een meditatief moment. Sinds dagen heeft zijn zweet niet zo scherp geroken. Dubbele beglazing en de overkant van de straat houden het vechten voor hem op schreeuwafstand. Het bericht dat onbenul volgens kenners weer helemaal terug is, komt dan ook niet als een verrassing.
C.P. Vincentius
(zie ook column www.macberlijn.nl & www.vitaal.nl)
Heel aardig, maar niet om binnen te laten en buiten zie ik deze sukkel het liefst aan de andere kant van de straat. Zo 'n hond die pas na langdurig uitlaten op een gure novemberdag bereid is om tenslotte in de woning zijn behoefte te doen. Op plotse en intense belasting van zijn beperkte denkvermogen is Knotsknuppel in het geheel niet voorbereid. Hij kijkt naar het echtpaar in de villa aan de overkant van de straat. Zij staan voor ieder zichtbaar voor het grote raam van hun huiskamer. Beurtelings slaan ze elkaar, wijken ze naar achteren, gooien met alles wat hen in de handen komt. Knotsknuppel ziet dat hun tegenslagen groter zijn, naarmate zij zelf zijn mislukt.
Maar geen van de twee weet kennelijk niet waarom niet.
Wanneer dit de kracht van schreeuwen bewijst, weet Knotsknuppel niet meer welke theorie hij nu weer denkt te moeten verzinnen. Het lijkt hem leuk voor ieder die er verstand van heeft. Weten dat je een stomkop bent, maakt een stomkop meteen veel slimmer dan de meeste stommelingen.
Man en vrouw achter het raam willen een spiritueel platform vormen, voor al die schipbreukelingen die drijvend op de levenszee op zoek zijn naar houvast. Vanuit die inspiratie zijn beiden benieuwd naar de overtuiging van anderen. Wat Knotsknuppel waarneemt is een pauze in die inspiratie, geen pauze voor een meditatief moment. Sinds dagen heeft zijn zweet niet zo scherp geroken. Dubbele beglazing en de overkant van de straat houden het vechten voor hem op schreeuwafstand. Het bericht dat onbenul volgens kenners weer helemaal terug is, komt dan ook niet als een verrassing.
C.P. Vincentius
(zie ook column www.macberlijn.nl & www.vitaal.nl)
Maandag, 9 augustus 2010
Het formulierenkind
Gelukkig zijn de vader en moeder voldoende geschoold. Ook de grootouders van het wurm kunnen de inhoud van de formulieren bevatten. De strekking en de bedoeling van al die formulieren, da’s een heel andere zaak. Voorlopig bekroning van het stijgend onbegrip is een eigen identiteitskaart voor een kind van goed vier maanden. De wereldburger wordt weliswaar ook in het paspoort van de moeder bijgeschreven, maar de blozende toet van de zuigeling moet in ieder geval ook van een eigen identiteitskaart afstralen.
‘Dat ze niet meteen zijn vingerafdrukken nemen, ‘merkt een der opa’s op, ‘want die hebben ze tegenwoordig ook bij een paspoort nodig.’
‘Zo’n koppie verandert toch met elke maand, dat weet toch ieder mens,‘ vindt de oma van moederszijde.
‘En elk jaar weer een nieuwe identiteitskaart, dat loopt lekker op als je er drie of vier hebt,’ rekent de andere opa door.
‘Die idiote formulieren van het consultatiebureau. Wat is de lengte van de vader en van de moeder. Zo willen ze de toekomstige lengte van onze Heiko berekenen.’ Ook de oma van vaderzijde heeft al eens moeten helpen, om paniek te voorkomen.
‘Straks op school wordt ’t nog mooier, dan komt het kind in het leerlingvolgsysteem.’ De opa van moederzijde houdt het vuur smeulende.
‘Mooi, zo blijven we in de toekomst allemaal op het rechte pad.’
‘Dat ze de kinderen niet meteen een chip onder de huid aanbrengen, net als de honden bij de dierenarts.’
Nagrinnikend worden de koffiekopjes opnieuw gevuld. Het kind slaapt intussen genadiglijk door alle meningen en opvattingen heen.
‘Gek is natuurlijk wel dat het nu voor iedereen blijkbaar bitter noodzakelijk is. Vroeger was zoiets voor het allergrootste deel van de bevolking niet nodig.’
De opa’s buigen naar elkaar.
‘Da’s net zoals opvoeden. Zeventig jaar geleden werd het gros van de kinderen zonder veel flauwekul opgevoed. Dat leverde over het geheel genomen een groot aantal goede mensen op. Dat optimisme is kennelijk weg. Tegenwoordig moet alles voorkomen worden. Cursussen, boeken, begeleiding. Je zou bijna denken dat je automatisch fout zit wanneer je aan al die dingen niet meedoet.’
‘Gruwelijke dingen zijn er altijd geweest en die zijn niet te voorkomen. Wat zouden ze nou doen, wanneer je weigert aan al die kul mee te doen? Wat kunnen ze daar nou aan doen?’
‘Volgens mij krijg je dan eindeloos gemeier met de kinderbescherming. Wat dacht je, die lusten daar wel pap van.’
Het kind kreunt lichtjes en begint te draaien. Gevieren buigen de grootouders zich over de wieg.
‘Gelukkig, als ik het zo ruik, heeft kleinzoon voorlopig nog overal schijt aan.’
(column op Vitaal.nl m.i.v. 5/8/2010)
‘Dat ze niet meteen zijn vingerafdrukken nemen, ‘merkt een der opa’s op, ‘want die hebben ze tegenwoordig ook bij een paspoort nodig.’
‘Zo’n koppie verandert toch met elke maand, dat weet toch ieder mens,‘ vindt de oma van moederszijde.
‘En elk jaar weer een nieuwe identiteitskaart, dat loopt lekker op als je er drie of vier hebt,’ rekent de andere opa door.
‘Die idiote formulieren van het consultatiebureau. Wat is de lengte van de vader en van de moeder. Zo willen ze de toekomstige lengte van onze Heiko berekenen.’ Ook de oma van vaderzijde heeft al eens moeten helpen, om paniek te voorkomen.
‘Straks op school wordt ’t nog mooier, dan komt het kind in het leerlingvolgsysteem.’ De opa van moederzijde houdt het vuur smeulende.
‘Mooi, zo blijven we in de toekomst allemaal op het rechte pad.’
‘Dat ze de kinderen niet meteen een chip onder de huid aanbrengen, net als de honden bij de dierenarts.’
Nagrinnikend worden de koffiekopjes opnieuw gevuld. Het kind slaapt intussen genadiglijk door alle meningen en opvattingen heen.
‘Gek is natuurlijk wel dat het nu voor iedereen blijkbaar bitter noodzakelijk is. Vroeger was zoiets voor het allergrootste deel van de bevolking niet nodig.’
De opa’s buigen naar elkaar.
‘Da’s net zoals opvoeden. Zeventig jaar geleden werd het gros van de kinderen zonder veel flauwekul opgevoed. Dat leverde over het geheel genomen een groot aantal goede mensen op. Dat optimisme is kennelijk weg. Tegenwoordig moet alles voorkomen worden. Cursussen, boeken, begeleiding. Je zou bijna denken dat je automatisch fout zit wanneer je aan al die dingen niet meedoet.’
‘Gruwelijke dingen zijn er altijd geweest en die zijn niet te voorkomen. Wat zouden ze nou doen, wanneer je weigert aan al die kul mee te doen? Wat kunnen ze daar nou aan doen?’
‘Volgens mij krijg je dan eindeloos gemeier met de kinderbescherming. Wat dacht je, die lusten daar wel pap van.’
Het kind kreunt lichtjes en begint te draaien. Gevieren buigen de grootouders zich over de wieg.
‘Gelukkig, als ik het zo ruik, heeft kleinzoon voorlopig nog overal schijt aan.’
(column op Vitaal.nl m.i.v. 5/8/2010)
Zaterdag, 24 juli 2010
Spitsroede
Spitsroede
Berend kun je er goed bij hebben en zeker bij zijn negen kameraden. Vijf zijn er zestien jaar, vijf zeventien. Acht kuiven zijn blond tot witblond, twee zijn rossig krulhaar. De kameraden zijn wat rumoerig tijdens de excursie in Slot Auerhahn. Jacqueline, de enthousiaste rondleidster van de plaatselijke Oudheidkamer is net vijfentwintig en gezegend met wat de Duitse heren ‘een kurvenreiche Strecke’ noemen.De tien kameraden, jonge honden, hebben daar nauwelijks oog voor. Wel volgen zij uitleg en aanwijzing van Jacqueline en geven er onderling commentaar op. Dit leidt tot gegiechel, gegrinnik en hardop gefluister. De hoofden van de rest van het rond te leiden gezelschap keren zich herhaalde malen om . Er tekent zich ergernis af. Die blikken worden genegeerd of worden niet opgevangen. Jacqueline merkt dat de aandacht voor haar uitleg wegvalt. Berend is op dat moment het meest luidruchtig. Jacqueline kijkt hem aan en maakt een opmerking over leeghoofdigheid en de directe samenhang met desinteresse. Ze richt zich daarbij over de hoofden van het gezelschap direct tot Berend. Het is een belangstelling die Berend niet verwacht en die hem evenmin bevalt. Om een gevat weerwoord zit hij meestal niet verlegen, maar dit keer schiet hem niets te binnen. Hij overlegt fluisterend met zijn kameraden. De naar elkaar toegewende jongenskoppen richten zich op, met een vage glimlach rond hun mond. Tien uiterst geïnteresseerde koppen wenden zich vanaf de achterste rij naar Jacqueline. Zij hebben ineens een intense belangstelling voor de rondleiding van Jacqueline. Even glimlacht ze, wanneer haar blikken die van het groepje kruisen. Dat voelt ze het. De intense blikken gelden niet haar uitleg of haar persoon. De blikken fixeren zich op haar stevige borsten, die zich vrij onder haar shirt bewegen. Ze voelt hoe de blikken haar boezem volgen. Hoe ze ook keert, de blikken rusten strak op haar pronte borstenpaar. De lippen van het tiental bewegen nauwelijks zichtbaar mee met haar verhaal, Of mummelen de monden met de strakke bovenlippen toch iets anders? Haar aandacht ligt compleet bij de tien paar starende ogen en mummelende monden. Zij verspreekt zich en raakt steeds opnieuw de draad van haar betoog kwijt. Bij elke halte waar wat te vertellen valt tijdens de wandeling door de vesting, kijkt ze in tien paar ogen die haar tepels fixeren. De monden blijven mummelen. De gezichten van de rest van het gezelschap ziet ze niet. Vragen weet ze niet te beantwoorden, ze komt er niet uit of negeert ze. Haar tempo verhoogt, zij verkort de route en keert versneld terug naar het beginpunt. Ter afsluiting krijgt ze van elke deelnemer een fooi en van de tien knapen een stevige handdruk en een brede grijns.
Donderdag, 15 juli 2010
Hoofdelijk aansprakelijk
Eerst weigerde de chauffeur om de kratjes bier toe te laten in de touringcar, toen ging hij door de bocht. De begeleider van de supporters verzekerde hem dat alles behoorlijk zou verlopen. Het was een nieuwe touringcar, dubbeldeks en net terug uit Spanje. Na een controle door twee monteurs in de remise stond de touringcar schoongespoten en gepoetst klaar om zeventig supporters naar Eindhoven te transporteren voor een uitwedstrijd. Na het gesprek met de chauffeur was de touringcar binnen 5 minuten vol. Vanaf het parkeerterrein bij de thuisclub reed de club joelende supporters praktisch meteen de snelweg op. Tien minuten later ging het luik in het dak open en staken Joeri en Maaikel hun hoofden naar buiten. Onmiddellijk liet de chauffeur via de intercom weten dat het luik dicht moest. De begeleider, een dik en druk mannetje, praatte zenuwachtig op de halfdronken supporters in. De chauffeur reageerde kortaf en stelde het mannetje hoofdelijk aansprakelijk. Binnen een half uur ging een fles jenever rond. Na een forse slok uit de fles, werd het gedistilleerd weggespoeld met bier. Hoofden liepen rood aan en ogen werden wazig. Eer de touringcar in Eindhoven aankwam, moest de chauffeur nog twee keer sommeren het luik in het dak te sluiten. De laatste keer dreigde hij de touringcar aan de kant te zetten, hetgeen de man op een oorverdovend gejoel van het collectief passagiers kwam te staan. Joeri brulde dat de chauffeur niet zovel kapsones moest hebben. Er was tenslotte voor de busrit betaald. Maaikel voegde daar aan toe dat we allemaal dankzij een spleet in de kont gezegend zijn met twee billen. Deze spirituele uitspraak sloeg aan.
Op de terugweg was de stemming niet gedrukt, ondanks een forse nederlaag van het team. Opnieuw wilde Joeri met zijn hoofd in de frisse lucht. Hij opende daartoe het luik in het dak. Maaikel wilde ook en duwde Joeri krachtig weg. Waarschijnlijk dacht geen der volwassen belhamels na en werd er evenmin uitgekeken. Even snel als Maaikel zijn hoofd door de opening van het luik stak, raakte hij dit lichaamsdeel kwijt. Op het moment dat hij meende zijn schedel aan wind en snelheid toe te vertrouwen, reed de touringcar onder een viaduct door. Dit viaduct, door rijkswaterstaat De Botte Rotte genoemd, functioneerde al vijftien jaar uitstekend. Alleen vrachtwagens en touringcars die boven op hun dak bagage en vracht vervoerden, kregen problemen. Op die extra hoogte was het viaduct niet berekend. Het luik in het dak stond schuin omhoog en werd door de onderkant van het viaduct met grote kracht en snelheid dichtgeklapt. Op dergelijke krachten waren hoofd en nek van Maaikel van der Vegt niet ingesteld. Hoofd en nek van Maaikel hingen er maar een beetje bij, toen hij door Joeri en andere kameraden naar binnen werd getrokken. De begeleider zag dat eerste hulp hier niet meer zou baten en belde de politie en vervolgens de ambulance.
Bij de aanblik van de voor driekwart onthoofde Maaikel ontnuchterde de joelende groep supporters ter plekke. Een tweetal vertrouwde de inhoud van hun maag aan de ribfluwelen zitting van hun stoel toe. Slotakkoord kwam bij de begrafenis. Bij die gelegenheid bestond de begeleider van de supporters het om tegenover de betraande nabestaanden gewag te maken van Maaikel, die het lef had gehad zijn kop boven het maaiveld uit te steken.
Op de terugweg was de stemming niet gedrukt, ondanks een forse nederlaag van het team. Opnieuw wilde Joeri met zijn hoofd in de frisse lucht. Hij opende daartoe het luik in het dak. Maaikel wilde ook en duwde Joeri krachtig weg. Waarschijnlijk dacht geen der volwassen belhamels na en werd er evenmin uitgekeken. Even snel als Maaikel zijn hoofd door de opening van het luik stak, raakte hij dit lichaamsdeel kwijt. Op het moment dat hij meende zijn schedel aan wind en snelheid toe te vertrouwen, reed de touringcar onder een viaduct door. Dit viaduct, door rijkswaterstaat De Botte Rotte genoemd, functioneerde al vijftien jaar uitstekend. Alleen vrachtwagens en touringcars die boven op hun dak bagage en vracht vervoerden, kregen problemen. Op die extra hoogte was het viaduct niet berekend. Het luik in het dak stond schuin omhoog en werd door de onderkant van het viaduct met grote kracht en snelheid dichtgeklapt. Op dergelijke krachten waren hoofd en nek van Maaikel van der Vegt niet ingesteld. Hoofd en nek van Maaikel hingen er maar een beetje bij, toen hij door Joeri en andere kameraden naar binnen werd getrokken. De begeleider zag dat eerste hulp hier niet meer zou baten en belde de politie en vervolgens de ambulance.
Bij de aanblik van de voor driekwart onthoofde Maaikel ontnuchterde de joelende groep supporters ter plekke. Een tweetal vertrouwde de inhoud van hun maag aan de ribfluwelen zitting van hun stoel toe. Slotakkoord kwam bij de begrafenis. Bij die gelegenheid bestond de begeleider van de supporters het om tegenover de betraande nabestaanden gewag te maken van Maaikel, die het lef had gehad zijn kop boven het maaiveld uit te steken.
Vrijdag, 25 juni 2010
Telefoon voor Berthe
Menno zat ontspannen in de stoel, die hem door drs. Vegal was aangewezen. Zijn buik puilde over zijn broekriem, de boord van zijn overhemd knelde om zijn nek. De zomerse warmte, buiten dragelijk door een verkoelende bries, hing binnen het gebouw drukkend in vertrekken. Het vele glas van de moderne architectuur en een haperende air conditioning deden overhemden klam onder oksels plakken en kamerplanten lam in hun potten hangen. Menno had zijn colbertje los hangen. Samen met de zorgvuldig gecoiffeerde drs.Paul Vegal luisterde Menno naar Berthe Gleffink. Paul Vegal hield het jasje van zijn kostuum gesloten. Het duurde niet lang of hij liep met een pas die zijn ongeduld verried naar zijn bureau.
Berthe had in eerste instantie met gebaren die irritatie verrieden de telefoon van drs. Vegal overgenomen. Daarbij had drs. Vegal de meer dan magere Berthe toegefluisterd:”Familie. Het is dringend.
Noch Menno, noch drs. Vegal hoorden wat Berthe telefonisch werd aangereikt.. De boodschap moest gruwelijk zijn. Na aanvankelijke verbazing, sperden de bleekgrijze ogen van Berthe Gleffink open en zakte haar onderkaak. Menno keek naar drs. Vegal die in de papieren op zijn bureau zat te scharrelen en richtte zijn aandacht weer op de ogen van Berthe Gleffink, die priemend in het bleke gezicht stonden. Iedere keer leek het of ze iets wilde zeggen, maar het bleef bij lucht happen. Kennelijk werd haar steeds iets nieuws medegedeeld.
Inwendig woedden bij Menno lach, sardonische grijns en sarcastische hinnik en worstelden om naar buiten te komen. Menno wist wie er aan de andere kant van de lijn zat en wist bovendien welke tekst er werd gedeclameerd. Zijn vriend Harry las met de hartgrondige afkeer van vrouwen en op de zwartgallige toon die hem eigen was de volgende regels voor:
Moet jij geen hengst gaan pijpen, lieve Berthe. Zo’n hengst met een enorme lul en een enorme eikel. Zo’n hengst die je volledig openscheurt, wanner hij je van achteren ramt. Zo’n hengst kun je toch maar beter pijpen, of niet soms? Lippen om de grote eikel en zuigen maar. Zuigen tot het tuitbekje volloopt.’
Een innemende tekst voor een mevrouw als Berthe Gleffink, vond Menno. Toen hij de brief van het Arbeidsbureau kreeg, had hij zijn zinnen binnen vijf minuten op papier. Harry had de tekst prachtig en overtuigend gevonden. De twee mannen waren van dezelfde leeftijd en ze waren bij dezelfde reorganisatie onder gelijke voorwaarden ontslagen. Harry als hoofd verkoop, Menno als hoofd boekhouding. Zeventien jaar met een vrouw die hem systematisch zijn leven had vergald, hadden van Harry een vrouwenhater gemaakt. Van die zeventien jaar huwelijk had Hannelore haar Harry, naar achteraf was gebleken, ook nog vijftien jaar met een beduidend jongere vent bedrogen. Voor Menno had Harry de juiste kwalificaties voor een indringend telefoongesprek met Berthe Gleffink, ook al was hij geen familie.
Menno had het telefonisch intermezzo op woensdag 26 april om tien uur ‘s ochtends hard nodig. Op die datum en dat tijdstip was hij door drs. Vegal en Berthe Gleffink uitgenodigd voor een gesprek. Er zouden serieuze zaken op tafel komen, zeer serieuze zaken. Het zou daarom goed uitkomen wanneer Berthe Gleffink gedurende het gesprek van een half uur ietwat overstuur zou zijn. Twee weken eerder had Menno voor het eerst met Berthe van gedachten gewisseld. Tien minuten daarna had hij het gesprek uitgeschreven, op hoofdlijnen en in details. Menno wist precies wat er wel en wat er niet in het gesprek was gezegd. Mevrouw Gleffink, personeelconsulente verbonden aan het Arbeidsbureau, had Menno uitgenodigd om over herintreding, bijscholing en bemiddeling te praten. Menno was intussen drie jaar werkloos en zevenenvijftig jaar. Tot het gesprek met mevrouw Gleffink had hij zijn ontslag als vervroegd pensioen beschouwd. Solliciteren had in zijn situatie weinig zin. Het bedrijfsleven zat niet op een hoofd boekhouding van vijfenvijftig plus te wachten. Mevrouw Gleffink was daarentegen van mening, dat de kansen van Menno op de huidige arbeidsmarkt veel beter lagen dan deze zich realiseerde. Met een relatief korte cursus van pak beet een anderhalf jaar richting geautomatiseerde administratie, zou Menno volledig zijn bijgeschoold. De banen zouden voor Menno voor het opscheppen liggen. De tegenwerping van Menno dat hij op zo’n manier werd opgeleid voor zijn pensioen maakte op Berthe Gleffink weinig indruk. Menno weigerde kort en duidelijk aan de opleiding mee te werken. Berthe Gleffink, toornig en wel, brak na deze weigering het gesprek abrupt af. Zij meldde dat Menno niet langer actief bemiddeld zou worden. Van deze gewijzigde conditie zou zij de uitkerende instantie in kennis stellen. Aan het verhaal van Menno over zijn opgewaardeerde werkloosheidsuitkering bleek zij geen boodschap te hebben.
Naderhand had Menno een kopie van de brief ontvangen, die Berthe aan de uitkerende instantie had verstuurd. Het was een standaardbrief, getekend door drs. P. Vegal, manager publieke dienstverlening. Een frase, vetgedrukt, viel op:
Dhr. M. Stok stelt zich dermate negatief en weigerachtig op, dat bemiddeling door het Arbeidsbureau niet langer mogelijk is.
Een dergelijke formulering had mevrouw Berthe Gleffink niet met Menno besproken, toen zij hem vertelde dat zij de uitkerende instantie ging informeren. Zou Berthe wel tegen Menno hebben verteld welke formulering zij zou gebruiken, dan zou het gesprek van een stevig kwartier, krap twintig minuten aanmerkelijk langer hebben geduurd. Menno had drs. P. Vegal zijn gespreksverslag toegezonden. In een begeleidend schrijven had hij drs Vegal medegedeeld dat hij vanaf zijn zeventiende tot aan zijn vierenvijftigste levensjaar bij de firma Zaan had gewerkt. Deze periode was slechts door de dienstplichtperiode van vierentwintig maanden onderbroken. Normaal zou hij zich er niet op voorstaan, dat hij bijna veertig jaar aaneengesloten had gewerkt. Nu hij echter in de brief van mevr. Gleffink werd afgeschilderd als werkschuw tuig, lag dat anders. Menno was, net als een aantal collega’s bij een reorganisatie ontslagen en ontving dankzij het ingrijpen van een advocaat een opgewaardeerde werkloosheidsuitkering. Tot aan de pensioengerechtigde leeftijd betaalde de firma een aanvulling tot negentig procent van het laatstgenoten loon. Het was een afvloeiingsregeling waarmee al de collega’s hadden ingestemd. Aan het eind van de brief had Menno om een gesprek met drs. Vegal verzocht, om een en ander nader toe te lichten.
Nadat Menno de uitnodiging voor het gesprek had ontvangen, wist hij hoe en met behulp van wie hij het gesprek met Berthe Gleffink en drs. P. Vegal de juiste kleur zou geven.
Berthe Gleffink had de telefoon neergelegd. Haar gezicht was lijkbleek en haar handen trilden. Stamelend deelde zij mee, dat zij zich niet goed voelde. Snel verliet zij de kamer van drs. Vegal en liet de deur naar de gang openstaan. Een andere deur op de gang werd in grote haast geopend . Duidelijk hoorbaar gaf Berthe Gleffink haar maaginhoud aan de toiletpot zonder deze eerst ordentelijk te verteren. Zo te horen zat het diep, moest het van diep komen en moest het er allemaal uit. Drs. Vegal, wiens frons zowel ernst als ergernis verried, sloot de deur naar de gang. Hij zuchtte terwijl achter zijn bureau plaatsnam.
Ïk heb uw brief gelezen, meneer Stok. Ergens is een misverstand opgetreden. Ik zal een iets andere brief aan uw uitkeringsinstantie sturen. Dat u moeilijk te bemiddelen bent, acht ik niet verwijtbaar.
Hij stond op, gaf Menno een slap handje en opende de deur naar de gang. Berthe Gleffink stond spierwit in de deurpost van het damestoilet en transpireerde. Om haar hing een zurige braaksellucht. Voor Menno had haar gezicht de juiste kleur. Hij knikte vaag vriendelijk. Haar gezicht had een uitdrukking van intense walging. Kennelijk was Harry van de tekst afgeweken en had hij er nog een schepje bovenop gedaan. Of wellicht was Berthe Gleffink veel minder kordaat, dan haar formulering in brieven deed vermoeden. Zulks overpeinzend daalde Menno de trap af, de straat en de vrijheid tegemoet.
verschijnt in het juli/augustus nummer 2010 van Circumplaudo
Berthe had in eerste instantie met gebaren die irritatie verrieden de telefoon van drs. Vegal overgenomen. Daarbij had drs. Vegal de meer dan magere Berthe toegefluisterd:”Familie. Het is dringend.
Noch Menno, noch drs. Vegal hoorden wat Berthe telefonisch werd aangereikt.. De boodschap moest gruwelijk zijn. Na aanvankelijke verbazing, sperden de bleekgrijze ogen van Berthe Gleffink open en zakte haar onderkaak. Menno keek naar drs. Vegal die in de papieren op zijn bureau zat te scharrelen en richtte zijn aandacht weer op de ogen van Berthe Gleffink, die priemend in het bleke gezicht stonden. Iedere keer leek het of ze iets wilde zeggen, maar het bleef bij lucht happen. Kennelijk werd haar steeds iets nieuws medegedeeld.
Inwendig woedden bij Menno lach, sardonische grijns en sarcastische hinnik en worstelden om naar buiten te komen. Menno wist wie er aan de andere kant van de lijn zat en wist bovendien welke tekst er werd gedeclameerd. Zijn vriend Harry las met de hartgrondige afkeer van vrouwen en op de zwartgallige toon die hem eigen was de volgende regels voor:
Moet jij geen hengst gaan pijpen, lieve Berthe. Zo’n hengst met een enorme lul en een enorme eikel. Zo’n hengst die je volledig openscheurt, wanner hij je van achteren ramt. Zo’n hengst kun je toch maar beter pijpen, of niet soms? Lippen om de grote eikel en zuigen maar. Zuigen tot het tuitbekje volloopt.’
Een innemende tekst voor een mevrouw als Berthe Gleffink, vond Menno. Toen hij de brief van het Arbeidsbureau kreeg, had hij zijn zinnen binnen vijf minuten op papier. Harry had de tekst prachtig en overtuigend gevonden. De twee mannen waren van dezelfde leeftijd en ze waren bij dezelfde reorganisatie onder gelijke voorwaarden ontslagen. Harry als hoofd verkoop, Menno als hoofd boekhouding. Zeventien jaar met een vrouw die hem systematisch zijn leven had vergald, hadden van Harry een vrouwenhater gemaakt. Van die zeventien jaar huwelijk had Hannelore haar Harry, naar achteraf was gebleken, ook nog vijftien jaar met een beduidend jongere vent bedrogen. Voor Menno had Harry de juiste kwalificaties voor een indringend telefoongesprek met Berthe Gleffink, ook al was hij geen familie.
Menno had het telefonisch intermezzo op woensdag 26 april om tien uur ‘s ochtends hard nodig. Op die datum en dat tijdstip was hij door drs. Vegal en Berthe Gleffink uitgenodigd voor een gesprek. Er zouden serieuze zaken op tafel komen, zeer serieuze zaken. Het zou daarom goed uitkomen wanneer Berthe Gleffink gedurende het gesprek van een half uur ietwat overstuur zou zijn. Twee weken eerder had Menno voor het eerst met Berthe van gedachten gewisseld. Tien minuten daarna had hij het gesprek uitgeschreven, op hoofdlijnen en in details. Menno wist precies wat er wel en wat er niet in het gesprek was gezegd. Mevrouw Gleffink, personeelconsulente verbonden aan het Arbeidsbureau, had Menno uitgenodigd om over herintreding, bijscholing en bemiddeling te praten. Menno was intussen drie jaar werkloos en zevenenvijftig jaar. Tot het gesprek met mevrouw Gleffink had hij zijn ontslag als vervroegd pensioen beschouwd. Solliciteren had in zijn situatie weinig zin. Het bedrijfsleven zat niet op een hoofd boekhouding van vijfenvijftig plus te wachten. Mevrouw Gleffink was daarentegen van mening, dat de kansen van Menno op de huidige arbeidsmarkt veel beter lagen dan deze zich realiseerde. Met een relatief korte cursus van pak beet een anderhalf jaar richting geautomatiseerde administratie, zou Menno volledig zijn bijgeschoold. De banen zouden voor Menno voor het opscheppen liggen. De tegenwerping van Menno dat hij op zo’n manier werd opgeleid voor zijn pensioen maakte op Berthe Gleffink weinig indruk. Menno weigerde kort en duidelijk aan de opleiding mee te werken. Berthe Gleffink, toornig en wel, brak na deze weigering het gesprek abrupt af. Zij meldde dat Menno niet langer actief bemiddeld zou worden. Van deze gewijzigde conditie zou zij de uitkerende instantie in kennis stellen. Aan het verhaal van Menno over zijn opgewaardeerde werkloosheidsuitkering bleek zij geen boodschap te hebben.
Naderhand had Menno een kopie van de brief ontvangen, die Berthe aan de uitkerende instantie had verstuurd. Het was een standaardbrief, getekend door drs. P. Vegal, manager publieke dienstverlening. Een frase, vetgedrukt, viel op:
Dhr. M. Stok stelt zich dermate negatief en weigerachtig op, dat bemiddeling door het Arbeidsbureau niet langer mogelijk is.
Een dergelijke formulering had mevrouw Berthe Gleffink niet met Menno besproken, toen zij hem vertelde dat zij de uitkerende instantie ging informeren. Zou Berthe wel tegen Menno hebben verteld welke formulering zij zou gebruiken, dan zou het gesprek van een stevig kwartier, krap twintig minuten aanmerkelijk langer hebben geduurd. Menno had drs. P. Vegal zijn gespreksverslag toegezonden. In een begeleidend schrijven had hij drs Vegal medegedeeld dat hij vanaf zijn zeventiende tot aan zijn vierenvijftigste levensjaar bij de firma Zaan had gewerkt. Deze periode was slechts door de dienstplichtperiode van vierentwintig maanden onderbroken. Normaal zou hij zich er niet op voorstaan, dat hij bijna veertig jaar aaneengesloten had gewerkt. Nu hij echter in de brief van mevr. Gleffink werd afgeschilderd als werkschuw tuig, lag dat anders. Menno was, net als een aantal collega’s bij een reorganisatie ontslagen en ontving dankzij het ingrijpen van een advocaat een opgewaardeerde werkloosheidsuitkering. Tot aan de pensioengerechtigde leeftijd betaalde de firma een aanvulling tot negentig procent van het laatstgenoten loon. Het was een afvloeiingsregeling waarmee al de collega’s hadden ingestemd. Aan het eind van de brief had Menno om een gesprek met drs. Vegal verzocht, om een en ander nader toe te lichten.
Nadat Menno de uitnodiging voor het gesprek had ontvangen, wist hij hoe en met behulp van wie hij het gesprek met Berthe Gleffink en drs. P. Vegal de juiste kleur zou geven.
Berthe Gleffink had de telefoon neergelegd. Haar gezicht was lijkbleek en haar handen trilden. Stamelend deelde zij mee, dat zij zich niet goed voelde. Snel verliet zij de kamer van drs. Vegal en liet de deur naar de gang openstaan. Een andere deur op de gang werd in grote haast geopend . Duidelijk hoorbaar gaf Berthe Gleffink haar maaginhoud aan de toiletpot zonder deze eerst ordentelijk te verteren. Zo te horen zat het diep, moest het van diep komen en moest het er allemaal uit. Drs. Vegal, wiens frons zowel ernst als ergernis verried, sloot de deur naar de gang. Hij zuchtte terwijl achter zijn bureau plaatsnam.
Ïk heb uw brief gelezen, meneer Stok. Ergens is een misverstand opgetreden. Ik zal een iets andere brief aan uw uitkeringsinstantie sturen. Dat u moeilijk te bemiddelen bent, acht ik niet verwijtbaar.
Hij stond op, gaf Menno een slap handje en opende de deur naar de gang. Berthe Gleffink stond spierwit in de deurpost van het damestoilet en transpireerde. Om haar hing een zurige braaksellucht. Voor Menno had haar gezicht de juiste kleur. Hij knikte vaag vriendelijk. Haar gezicht had een uitdrukking van intense walging. Kennelijk was Harry van de tekst afgeweken en had hij er nog een schepje bovenop gedaan. Of wellicht was Berthe Gleffink veel minder kordaat, dan haar formulering in brieven deed vermoeden. Zulks overpeinzend daalde Menno de trap af, de straat en de vrijheid tegemoet.
verschijnt in het juli/augustus nummer 2010 van Circumplaudo
Dinsdag, 22 juni 2010
Bijna zeventig
Bijna zeventig
Hoeveel hartstocht ligt er niet in de boodschap: ”Ik heb geen bezwaar tegen seks met een mooi meisje, ook wanneer zij bij toeval mijn vrouw blijkt.”
Er lopen voldoende sukkels van bijna zeventig die lang kunnen verhalen van wat allemaal wel niet en hoe. Bij elke aantrekkelijke vrouw die op zichtbare afstand passeert, komt hun commentaar los. De niet meer weg te stulpen buik wordt samen met de adem ingehouden. Eenmaal weer uitgeademd en buik weer in normale stand hebben de bejaarde trekken een kleur alsof er hartstochtelijke handelingen hebben plaatsgevonden. Hier bedriegt de schijn. Heren met dergelijk grootdoenerig gedrag, kunnen zich alleen hun seksuele conditie ten tijde van hun zestiende of zeventiende levensjaar voor de geest halen. Dat die conditie en de mogelijkheden tot prestatie ruim zestig jaar later grondige wijzigingen hebben ondergaan, is afgaande op hun verhalen niet te merken. Primitief pronkgedrag( grootvader duikt ergens een mooie jonge blom op om zich mee te vertonen en te suggereren dat hij haar acht keer per nacht uitvoerig bestijgt), bezitsdrang en ander vertoon duiden vooral op een lang naklinkende echo tussen de oren. Grappig is ook de pertinente afkeer van vrouwelijke leeftijdgenoten. Toegegeven, op die leeftijd is het verval aan geen van de seksen voorbijgegaan. Maar opa’s die met een van afschuw vertrokken gelaat meedelen, dat ze niet van plan zijn met hun oma naar bed te gaan, beseffen niet hoeveel er voor nodig is om de afschuw van jeugdige vrouwen te overwinnen om met dergelijke opa’s naar bed te gaan. Paren die dertig, veertig jaar elkaar in sensueel, erotisch, vriendschappelijk en seksueel opzicht hebben leren waarderen, kennen ook elkanders mogelijkheden en voorkeuren. Seks heeft bij hun met vriendschap met erotiek met sensualiteit te maken. Hun prestatie ligt in het plezier van het samenzijn, niet in de score van hoogtepunten. Er zijn voldoende gescheidenen, weduwen en alleenstaanden van bijna zeventig die dergelijke bevredigende ervaringen met leeftijdgenoten willen delen. Zij kijken enigszins meewarig naar de bejaarde konijnen, die sneller bejaard dan beter konijn worden.
(zie ook MACBERLIJN.nl, waar deze column is gepubliceerd)
Hoeveel hartstocht ligt er niet in de boodschap: ”Ik heb geen bezwaar tegen seks met een mooi meisje, ook wanneer zij bij toeval mijn vrouw blijkt.”
Er lopen voldoende sukkels van bijna zeventig die lang kunnen verhalen van wat allemaal wel niet en hoe. Bij elke aantrekkelijke vrouw die op zichtbare afstand passeert, komt hun commentaar los. De niet meer weg te stulpen buik wordt samen met de adem ingehouden. Eenmaal weer uitgeademd en buik weer in normale stand hebben de bejaarde trekken een kleur alsof er hartstochtelijke handelingen hebben plaatsgevonden. Hier bedriegt de schijn. Heren met dergelijk grootdoenerig gedrag, kunnen zich alleen hun seksuele conditie ten tijde van hun zestiende of zeventiende levensjaar voor de geest halen. Dat die conditie en de mogelijkheden tot prestatie ruim zestig jaar later grondige wijzigingen hebben ondergaan, is afgaande op hun verhalen niet te merken. Primitief pronkgedrag( grootvader duikt ergens een mooie jonge blom op om zich mee te vertonen en te suggereren dat hij haar acht keer per nacht uitvoerig bestijgt), bezitsdrang en ander vertoon duiden vooral op een lang naklinkende echo tussen de oren. Grappig is ook de pertinente afkeer van vrouwelijke leeftijdgenoten. Toegegeven, op die leeftijd is het verval aan geen van de seksen voorbijgegaan. Maar opa’s die met een van afschuw vertrokken gelaat meedelen, dat ze niet van plan zijn met hun oma naar bed te gaan, beseffen niet hoeveel er voor nodig is om de afschuw van jeugdige vrouwen te overwinnen om met dergelijke opa’s naar bed te gaan. Paren die dertig, veertig jaar elkaar in sensueel, erotisch, vriendschappelijk en seksueel opzicht hebben leren waarderen, kennen ook elkanders mogelijkheden en voorkeuren. Seks heeft bij hun met vriendschap met erotiek met sensualiteit te maken. Hun prestatie ligt in het plezier van het samenzijn, niet in de score van hoogtepunten. Er zijn voldoende gescheidenen, weduwen en alleenstaanden van bijna zeventig die dergelijke bevredigende ervaringen met leeftijdgenoten willen delen. Zij kijken enigszins meewarig naar de bejaarde konijnen, die sneller bejaard dan beter konijn worden.
(zie ook MACBERLIJN.nl, waar deze column is gepubliceerd)
Zondag, 30 mei 2010
Glimp -een groteske
Met het openen van de kist komt voor dr Hellreich en zijn assistente de herkenning, van datgene wat dr Hellreich met drie eerdere verpleegsters heeft beleefd. Iedere keer, nadat hij de operatiewond zorgvuldig sloot en de patiënt daarna van de operatiekamer op weg naar de afdeling ging, was er een andere belevenis. Ook nu is de operatiekamer hermetisch gesloten en werpt de filmprojector in de schemer een groezelige lichtbundel op het laken tegen een van de wanden. De gordijnen zijn open en vanaf de vijfde verdieping ligt de stad in de eerste schemer.
‘Jammer van vier verpleegsters,’ vermeldt het etiket op de filmcassette.
De bruid Ingeborg van de stille wurger slikt nogmaals: ’Zo’n eerste stap scheert langs schreden en onderzoekt in krampen en stuipen zijn dwalen.’
Haar echtgenoot kijkt naar de langwerpige, rode littekens op zijn armen, zijn borstkas en zijn benen. Een wrat gloeit vurig in zijn hals. Hij ademt diep.
‘Een Linkerborst voor Diana,’ antwoordt haar echtgenoot en schuift het kille lichaam tegen zijn bruid. Ingeborg bukt en kust, waarbij haar weelderig lange haren de buik van het jonge lijk streelt. Naakt tegen naakt, jong leven tegen jonge dood. Er loopt bruinig vocht uit de mond van de roerloze gestalte van zuster Liesbeth.
‘Kus van een Bloedzuiger,’ hijgt het jonge lijk en grijpt de eeltige hand van de wurger. Liesbeth’s blik zwemt, terwijl zij het handelen van de bruid waarneemt.
De moeder van de wurger nadert het voeteneinde van het huwelijksbed.
‘De Moddervette Stoephoer,’ fluisteren lijk, bruid en wurger vrijwel tegelijkertijd, terwijl de moeder zich van haar knellende kledij ontdoet. Ranzige zweetlucht verspreidt zich in de slaapkamer en mengt zich met de rottingslucht van het jonge lijk Liesbeth.Het draaien en keren der lichamen maakt vettige vegen op het onderlaken.
‘Dood Door Doodgraver,’ gromt de vrouw en stort zich op de drie naakten die in ontzetting uiteenwijken. Bij haar kinderen heeft ze altijd toegang, op elk moment. Hier is zij aanwezig en eist.
‘In het tonen van lichamelijke elementen zijn de leden van deze groep en hun lakens, die ze bezoedelen met zweet en smerige handen, een luguber tafereel,‘ oordeelt chirurg dr. Hellreich, tijdens het sorteren van de lancetten uit de steriliseertrommel. Hij rangschikt ze in het gelid op de tafel. Gudrun, zijn assistente knikt en fluistert: ‘In de kist zitten ook dozen met tekeningen, maquettes en foto’s . De cassettes met de films zijn in bebloede doeken verpakt.’
De hand met verpletterde vingers, omwikkeld met enkele lagen doorschijnend plastic, vermeldt zij niet. Zij trekt haar buik in, spant haar billen, richt haar borsten en laat haar operatieschort vallen.
‘Kijk goed,’ gromt Hellreich, wanneer hij Gudrun voor een tweede keer bestijgt.’In de omarming van de bruid Ingeborg opent zich de harp voor haar voeten en vingertoppen en vormt al doende het voorprogramma voor hun angst om te gillen.’
‘Zoals wij ons laten gaan, houden zij zich in, zowel de moeder als de bruid, zowel de wurger als het meisje Liesbeth,' beaamt Gudrun en strekt haar naakte lichaam op de operatietafel uit. Op zijn bijten reageert zij met de gil ‘Gelukkige Bloedhond!,’ welke al schriller en schriller klinkt.
Haar operatieschort en andere kledij liggen verfrommeld in een mand met operatiewas.
Harry, de inmiddels massieve puber, kauwt de botten van kippen en kalkoenen die zijn ouders en zijn zusje, de verpleegster Ingeborg alleen maar afkluiven. Moeder is naar zijn oudste broer en Ingeborg is op zoek naar haar vriendin Gudrun.
Na wat rondbellen van de wurger vluchten de inwoners de kelders in of verzamelen zich in kerken en concertzalen. Harry volgt hun paniek in de straten en belt zijn zwager.
‘Uiteindelijk zal blijken, dat anderen die op dat moment suften of sliepen of lui en ongelovig waren, de paniek overleefden,’vertelt bruid Ingeborg aan de moeder. Zij masseert de vette nek en rug van de vrouw.
‘Een Lesbische Klipgeit, dit mokkel,’ meent de wurger,’ maar wel steeds geil langs de afgrond.’ Het lijk van Liesbeth, dat na weken uit het riool naast het slachthuis is getild, biedt haar bleekgezwollen achterwerk aan deze zoon en echtgenoot aan.
‘Slurp de Cloaca,’ wijst de moeder de bruid aan heft haar billen enigszins met de elastische atletiek van een zeventigjarig lichaam. De gordijnen van hun slaapkamer zijn nog steeds open en in de tegenoverliggende flat richt zich een verrekijker.
‘De Caraïbische Kariboe Richt zijn Reperteerkarabijn,’ kreunt Gudrun onder dokter Hellreich. Bloed loopt langs haar stukgebeten onderlip. De projector ratelt en lijkt even te haperen. De film is de ene lichtbron in de verder duistere kamer, een leeslamp vlak naast de operatietafel de andere.
‘Hondsdol en Spiernaakt,’ antwoordt de chirurg. Zijn grote handen klauwen om de borsten van de verpleegster. Zijn adem is hijgend en hortend. Zijn lichaam gloeit, niet van inspanning , maar van koorts.
‘Redding van een Smerige Schoft,’ sist bruid Ingeborg, terwijl de wurger haar beklimt. De verrekijker in de flat focust zich op de moeder. Haar hand schuift tussen de billen van de wurger heen en weer.
‘Ingeborg’s Strandfantasie,’ kreunt dokter Hellreich onder zijn laatste stoten, terwijl hij met Gudrun de bewegingen van de figuren in de film volgt. De beelden flakkeren, haperen, dan zwelt het beeld. De film blijft in de projector steken en verbrandt door de hiite van de projectielamp.
‘De Nymfomane Gorillaliefde,’ snuift Harry met Ingeborg op de zitbank. De enige film met zijn zus en met hem in de hoofdrol heeft hij uit de kist verwijderd. De rest heeft hij ’s nachts bij dokter Hellreich voor de deur gezet, vrijwel op het moment dat de chirurg thuiskomt.
‘Klapkauwgumcondoom,’ mompelt Marcia en denkt terug aan de nacht toen de wurger haar spaarde ten behoeve van zijn nieuwe bruid. Kier in het gordijn. Met haar nachtkijker speurt zij vanaf de twintigste verdieping het ziekenhuis af. Haar kaken kauwen mechanisch. Haar blik blijft hangen en ze zoomt in. Op een operatietafel ligt haar vriendin Gudrun in een kleine lichtkring onder dokter Günther Hellreich. Zij focust en ziet de roodomrande gele vlekken op de rug van de chirurg. Diezelfde vlekken overdekken het lichaam van Robbert Jensen achter haar. Robbert sterft op het bed in de slaapkamer, vastgebonden aan handen en voeten. Messteken zullen zijn sterven verhaasten, al heeft zij hem de genadestoot niet gegeven. Het bebloede uitbeenmes ligt vlak bij zijn hoofd op het nachtkastje. Zij hoort zijn reutelen. Dezelfde gele vlekken bedekken de benen van Marcia. Zij weet dat zij na Liesbeth, na dokter Hellreich, na Ingeborg, Robbert en Gudrun zelf aan de beurt zal zijn. Dit is voor allen het laatste etmaal. ’Jammer van vier verpleegsters,’ fluistert Marcia tegen niemand in het bijzonder.
(verscheen in Circumplaudo no. 45 (mei-juni 2010)
Het lijk van Liesbeth richt zich tegen het ochtendgloren op. Donkergroen vocht loopt uit oren, neus en mond. Een alles verpestende stank walmt over de moeder, de wurger en Ingeborg, die als laatste zal sterven.
‘Jammer van vier verpleegsters,’ vermeldt het etiket op de filmcassette.
De bruid Ingeborg van de stille wurger slikt nogmaals: ’Zo’n eerste stap scheert langs schreden en onderzoekt in krampen en stuipen zijn dwalen.’
Haar echtgenoot kijkt naar de langwerpige, rode littekens op zijn armen, zijn borstkas en zijn benen. Een wrat gloeit vurig in zijn hals. Hij ademt diep.
‘Een Linkerborst voor Diana,’ antwoordt haar echtgenoot en schuift het kille lichaam tegen zijn bruid. Ingeborg bukt en kust, waarbij haar weelderig lange haren de buik van het jonge lijk streelt. Naakt tegen naakt, jong leven tegen jonge dood. Er loopt bruinig vocht uit de mond van de roerloze gestalte van zuster Liesbeth.
‘Kus van een Bloedzuiger,’ hijgt het jonge lijk en grijpt de eeltige hand van de wurger. Liesbeth’s blik zwemt, terwijl zij het handelen van de bruid waarneemt.
De moeder van de wurger nadert het voeteneinde van het huwelijksbed.
‘De Moddervette Stoephoer,’ fluisteren lijk, bruid en wurger vrijwel tegelijkertijd, terwijl de moeder zich van haar knellende kledij ontdoet. Ranzige zweetlucht verspreidt zich in de slaapkamer en mengt zich met de rottingslucht van het jonge lijk Liesbeth.Het draaien en keren der lichamen maakt vettige vegen op het onderlaken.
‘Dood Door Doodgraver,’ gromt de vrouw en stort zich op de drie naakten die in ontzetting uiteenwijken. Bij haar kinderen heeft ze altijd toegang, op elk moment. Hier is zij aanwezig en eist.
‘In het tonen van lichamelijke elementen zijn de leden van deze groep en hun lakens, die ze bezoedelen met zweet en smerige handen, een luguber tafereel,‘ oordeelt chirurg dr. Hellreich, tijdens het sorteren van de lancetten uit de steriliseertrommel. Hij rangschikt ze in het gelid op de tafel. Gudrun, zijn assistente knikt en fluistert: ‘In de kist zitten ook dozen met tekeningen, maquettes en foto’s . De cassettes met de films zijn in bebloede doeken verpakt.’
De hand met verpletterde vingers, omwikkeld met enkele lagen doorschijnend plastic, vermeldt zij niet. Zij trekt haar buik in, spant haar billen, richt haar borsten en laat haar operatieschort vallen.
‘Kijk goed,’ gromt Hellreich, wanneer hij Gudrun voor een tweede keer bestijgt.’In de omarming van de bruid Ingeborg opent zich de harp voor haar voeten en vingertoppen en vormt al doende het voorprogramma voor hun angst om te gillen.’
‘Zoals wij ons laten gaan, houden zij zich in, zowel de moeder als de bruid, zowel de wurger als het meisje Liesbeth,' beaamt Gudrun en strekt haar naakte lichaam op de operatietafel uit. Op zijn bijten reageert zij met de gil ‘Gelukkige Bloedhond!,’ welke al schriller en schriller klinkt.
Haar operatieschort en andere kledij liggen verfrommeld in een mand met operatiewas.
Harry, de inmiddels massieve puber, kauwt de botten van kippen en kalkoenen die zijn ouders en zijn zusje, de verpleegster Ingeborg alleen maar afkluiven. Moeder is naar zijn oudste broer en Ingeborg is op zoek naar haar vriendin Gudrun.
Na wat rondbellen van de wurger vluchten de inwoners de kelders in of verzamelen zich in kerken en concertzalen. Harry volgt hun paniek in de straten en belt zijn zwager.
‘Uiteindelijk zal blijken, dat anderen die op dat moment suften of sliepen of lui en ongelovig waren, de paniek overleefden,’vertelt bruid Ingeborg aan de moeder. Zij masseert de vette nek en rug van de vrouw.
‘Een Lesbische Klipgeit, dit mokkel,’ meent de wurger,’ maar wel steeds geil langs de afgrond.’ Het lijk van Liesbeth, dat na weken uit het riool naast het slachthuis is getild, biedt haar bleekgezwollen achterwerk aan deze zoon en echtgenoot aan.
‘Slurp de Cloaca,’ wijst de moeder de bruid aan heft haar billen enigszins met de elastische atletiek van een zeventigjarig lichaam. De gordijnen van hun slaapkamer zijn nog steeds open en in de tegenoverliggende flat richt zich een verrekijker.
‘De Caraïbische Kariboe Richt zijn Reperteerkarabijn,’ kreunt Gudrun onder dokter Hellreich. Bloed loopt langs haar stukgebeten onderlip. De projector ratelt en lijkt even te haperen. De film is de ene lichtbron in de verder duistere kamer, een leeslamp vlak naast de operatietafel de andere.
‘Hondsdol en Spiernaakt,’ antwoordt de chirurg. Zijn grote handen klauwen om de borsten van de verpleegster. Zijn adem is hijgend en hortend. Zijn lichaam gloeit, niet van inspanning , maar van koorts.
‘Redding van een Smerige Schoft,’ sist bruid Ingeborg, terwijl de wurger haar beklimt. De verrekijker in de flat focust zich op de moeder. Haar hand schuift tussen de billen van de wurger heen en weer.
‘Ingeborg’s Strandfantasie,’ kreunt dokter Hellreich onder zijn laatste stoten, terwijl hij met Gudrun de bewegingen van de figuren in de film volgt. De beelden flakkeren, haperen, dan zwelt het beeld. De film blijft in de projector steken en verbrandt door de hiite van de projectielamp.
‘De Nymfomane Gorillaliefde,’ snuift Harry met Ingeborg op de zitbank. De enige film met zijn zus en met hem in de hoofdrol heeft hij uit de kist verwijderd. De rest heeft hij ’s nachts bij dokter Hellreich voor de deur gezet, vrijwel op het moment dat de chirurg thuiskomt.
‘Klapkauwgumcondoom,’ mompelt Marcia en denkt terug aan de nacht toen de wurger haar spaarde ten behoeve van zijn nieuwe bruid. Kier in het gordijn. Met haar nachtkijker speurt zij vanaf de twintigste verdieping het ziekenhuis af. Haar kaken kauwen mechanisch. Haar blik blijft hangen en ze zoomt in. Op een operatietafel ligt haar vriendin Gudrun in een kleine lichtkring onder dokter Günther Hellreich. Zij focust en ziet de roodomrande gele vlekken op de rug van de chirurg. Diezelfde vlekken overdekken het lichaam van Robbert Jensen achter haar. Robbert sterft op het bed in de slaapkamer, vastgebonden aan handen en voeten. Messteken zullen zijn sterven verhaasten, al heeft zij hem de genadestoot niet gegeven. Het bebloede uitbeenmes ligt vlak bij zijn hoofd op het nachtkastje. Zij hoort zijn reutelen. Dezelfde gele vlekken bedekken de benen van Marcia. Zij weet dat zij na Liesbeth, na dokter Hellreich, na Ingeborg, Robbert en Gudrun zelf aan de beurt zal zijn. Dit is voor allen het laatste etmaal. ’Jammer van vier verpleegsters,’ fluistert Marcia tegen niemand in het bijzonder.
(verscheen in Circumplaudo no. 45 (mei-juni 2010)
Het lijk van Liesbeth richt zich tegen het ochtendgloren op. Donkergroen vocht loopt uit oren, neus en mond. Een alles verpestende stank walmt over de moeder, de wurger en Ingeborg, die als laatste zal sterven.
Vrijdag, 26 maart 2010
Zoektocht
De mevrouw van de linnenkamer oogt frêle. Haar handdruk duidt er op dat het losdraaien van weerbarstige potten appelmoes geen enkel probleem voor haar op zal leveren. We lopen vanaf de receptie door het oude gedeelte van het geriatrisch ziekenhuis en passeren deuren die alleen met een code te openen zijn. Ik probeer gelijke tred te houden met het snelle klikken van haar naaldhakken.
‘Mooie test, dat onthouden van die code,‘ probeer ik en krijg een snelle glimlach als antwoord. Ze maakt een robuuste en zelfverzekerde indruk.
In de linnenkamer zitten twee vijftig plus dames achter een computer. Her en der staan kledingrekken met hangertjes. De weergevonden kleren van mijn schoonmoeder liggen apart op een werktafel, met een briefje op het stapeltje.
‘Dit hebben we terug kunnen vinden.’ De mevrouw telt de kledingstukken na en voelt in de zakken van de twee jasjes. In een ervan vindt ze een boterham met kaas, gewikkeld in servetten.
‘Je vindt toch steeds weer wat anders,‘ zegt ze.
‘Zijn we intussen gewend. Het is verpakken en verstoppen. Thuis zet ze halverwege het ontbijt het bord in een wandmeubel of in een van de keukenkastjes. Glazen met sap vind ik soms in haar klerenkast terug. Als ik de kamer binnenkom is op het oog alles altijd keurig opgeruimd.’
De dames achter de computer lachen wat meewarig. Men heeft het hier allemaal al een keer gehoord. De mevrouw schuift intussen de kleren in een plastic draagtas.
‘De zwarte pantalon is niet boven water gekomen. We houden het in de gaten. Zodra die opduikt, sein ik u in.’
Weer een ferme handdruk, die mijn trouwring klemzet. In de gangen loop ik langs de schimmen die eens een persoon waren. Ze hangen lusteloos op de bankjes of in rolstoelen. Voor mijn schoonmoeder was het een tijdelijke opname, zodat de mantelzorg met vakantie kon. Zodra haar opname definitief wordt, zal ik zeker nog eens op de linnenkamer terug komen.
‘Mooie test, dat onthouden van die code,‘ probeer ik en krijg een snelle glimlach als antwoord. Ze maakt een robuuste en zelfverzekerde indruk.
In de linnenkamer zitten twee vijftig plus dames achter een computer. Her en der staan kledingrekken met hangertjes. De weergevonden kleren van mijn schoonmoeder liggen apart op een werktafel, met een briefje op het stapeltje.
‘Dit hebben we terug kunnen vinden.’ De mevrouw telt de kledingstukken na en voelt in de zakken van de twee jasjes. In een ervan vindt ze een boterham met kaas, gewikkeld in servetten.
‘Je vindt toch steeds weer wat anders,‘ zegt ze.
‘Zijn we intussen gewend. Het is verpakken en verstoppen. Thuis zet ze halverwege het ontbijt het bord in een wandmeubel of in een van de keukenkastjes. Glazen met sap vind ik soms in haar klerenkast terug. Als ik de kamer binnenkom is op het oog alles altijd keurig opgeruimd.’
De dames achter de computer lachen wat meewarig. Men heeft het hier allemaal al een keer gehoord. De mevrouw schuift intussen de kleren in een plastic draagtas.
‘De zwarte pantalon is niet boven water gekomen. We houden het in de gaten. Zodra die opduikt, sein ik u in.’
Weer een ferme handdruk, die mijn trouwring klemzet. In de gangen loop ik langs de schimmen die eens een persoon waren. Ze hangen lusteloos op de bankjes of in rolstoelen. Voor mijn schoonmoeder was het een tijdelijke opname, zodat de mantelzorg met vakantie kon. Zodra haar opname definitief wordt, zal ik zeker nog eens op de linnenkamer terug komen.
Sleuteldans
Ze is in de tachtig en al enige jaren de weg kwijt. Haar huissleutels mag ze niet in handen krijgen. Zou ze die toch in handen krijgen, dan gaat ze wandelen. Dan verdwaalt ze of, wat meer voor de hand ligt, ze overschat wat ze nog kan, wordt na een minuut of vijf wandelen in een keer doodmoe en klapt vervolgens steil naar voren op het plaveisel.Dat vallen is haar het afgelopen jaar drie keer overkomen. Kin kapot en weken donkerblauw plus de hechtingen, of ribben en arm aan een kant gekneusd; beide zijn ongewenste resultaten. Voor hetzelfde geld had ze haar heup gebroken. Dan was het scenario ziekenhuis – verpleeghuis onafwendbaar geworden. Nu wacht ze in haar eigen huis tot er in het verpleegtehuis van haar keuze ruimte komt. ’s Ochtends kom er een hulp die haar elk van de zeven dagen in de week wast, aankleedt en ontbijt geeft. De hulp heeft een sleutel en komt binnen en sluit af.
Maandagmorgen drinkt ze koffie bij de buren, die haar ophalen en thuis afzetten met hun sleutel.Tussen de middag kom ik, ga met haar wandelen en geef haar eten en drinken. Daarna sluit ik af, waarbij ik controleer of de sleutels buiten haar bereik zijn.Met mijn sleutel kom ik binnen. Mijn vrouw komt maandagsmiddags om vijf uur en verstrekt een maaltijd. Dan gaan de sleutels in haar jas voor dinsdag. Dinsdag is ze de hele dag in de dagopvang. ’s Avonds bij thuiskomst krijgt ze drinken en eten van me, waarna ik de sleutels inpik en haar in bed leg.
Woensdag tussen de middag, wandel ik, krijgt ze eten en drinken, net als op vrijdag en zondagmiddag en donderdagavond. Woensdagavond geeft mijn zwager te eten en doet de sleutels in de jas voor donderdag, dan is ze in de dagopvang, net als op zaterdag.
Donderdagavond pik ik de sleutels in, vrijdagavond krijgt ze deze in haar jas, voor de zaterdag.Zaterdagavond worden ze uit haar jas gehaald.
Even leek het ruzie tussen verzorgster en ons te komen. Zij was van mening dat we schoonmoeder niet constant konden opsluiten, zonder sleutels. Hoe moest zij immers bij brand uit de voeten komen? Zij moest maar een ringalarm omkrijgen.
Ach, dat ringalarm zou ze binnen de kortste keren verstoppen. Of ze zou te pas en te onpas op de alarmknop drukken. Uiteindelijk handhaafden wij ons standpunt en liep de procedure via ambtenaren en kregen wij gelijk.
Maandagmorgen drinkt ze koffie bij de buren, die haar ophalen en thuis afzetten met hun sleutel.Tussen de middag kom ik, ga met haar wandelen en geef haar eten en drinken. Daarna sluit ik af, waarbij ik controleer of de sleutels buiten haar bereik zijn.Met mijn sleutel kom ik binnen. Mijn vrouw komt maandagsmiddags om vijf uur en verstrekt een maaltijd. Dan gaan de sleutels in haar jas voor dinsdag. Dinsdag is ze de hele dag in de dagopvang. ’s Avonds bij thuiskomst krijgt ze drinken en eten van me, waarna ik de sleutels inpik en haar in bed leg.
Woensdag tussen de middag, wandel ik, krijgt ze eten en drinken, net als op vrijdag en zondagmiddag en donderdagavond. Woensdagavond geeft mijn zwager te eten en doet de sleutels in de jas voor donderdag, dan is ze in de dagopvang, net als op zaterdag.
Donderdagavond pik ik de sleutels in, vrijdagavond krijgt ze deze in haar jas, voor de zaterdag.Zaterdagavond worden ze uit haar jas gehaald.
Even leek het ruzie tussen verzorgster en ons te komen. Zij was van mening dat we schoonmoeder niet constant konden opsluiten, zonder sleutels. Hoe moest zij immers bij brand uit de voeten komen? Zij moest maar een ringalarm omkrijgen.
Ach, dat ringalarm zou ze binnen de kortste keren verstoppen. Of ze zou te pas en te onpas op de alarmknop drukken. Uiteindelijk handhaafden wij ons standpunt en liep de procedure via ambtenaren en kregen wij gelijk.
Zaterdag, 13 februari 2010
Ook wel geluk, hoorspel
twee delen:
4.Warmte van de eerste dooi.
Philip : Die manier van denken van Bregtje bevalt me niet. Als ik geluk heb zie ik haar eens in de drie maanden.
George : Je kunt je hart tegen mij luchten. Geen vrouw of vriendin die je daarbij in de weg zal staan. Ook niet dat je de laatste jaren niet alleen met Brendine maar ook met mijn Bregtje hebt gescharreld.
Philip : Daar heb ik evenmin bezwaar tegen, joh.
George : Laatst kreeg ik voor het eerst sinds drie maanden Bregtje op bezoek. Haar verhalen beginnen steeds meer op eisen te lijken.
Philip : Net als Brendine heeft Bregtje mij vaak voorgelogen, daar ben ik niet blind voor geweest. Daarom blijft het ook goed dat we van tijd tot tijd zonder de mokkels even bijpraten.
George : Het wisselt nogal met die twee.
Philip : Die Bregtje. Juist door die aambeien is ze zo spontaan geworden.
George : Doet me deugd, dat van jou te horen.
Philip : Seks zet je aan het denken en gaat met je aan de haal voor je het weet,
joh. Mooie uren gehad, zowel met Bregtje als met Propje. Maar er broeit iets bij die twee.
George : Nu praat je er heel anders over.
Philip : Ik kan het niet licht opnemen als Bregtje en Brendine er bij zijn. Voor die twee is alles meteen waar, honderd procent en niet meer te veranderen.
George : Vaak ben jij zo lekker zelfvoldaan, omdat je nou eenmaal denkt dat je beter dan die stukken bent. Dat voelen ze, maak je maar geen illusies.
Philip : Ik blijf ongevaarlijk voor iemand die een rotzak voor alle goede mensen rond om hem heen is,joh.
George : Mooi verpakt, maar zo langzamerhand krijg ik het idee dat ik dit soort beschuldingen van jou vaker heb gehoord.
Philip : Even kort en duidelijk, George. Weet jij van wie het kind van Brendine is?
George : Daar laat Brendine me nooit achter komen. Brendine en ik zijn meer uit elkaar gegroeid dan jij voor mogelijk hebt gehouden. Jij bent zo lekker zelfvoldaan omdat je denkt dat je beter bent.
Philip : Volgens mij is het jou niet duidelijk wat je zelf doet. Je hebt de afgelopen jaren herhaaldelijk gezegd dat je uit ons groepje af zou haken, maar je blijft bij ons en gaat gewoon je gang net zoals het jou uitkomt.
Daarmee is de kous voor jou nog niet af. Want jij bent gescheiden en vrijgezel, joh, en ik ben getrouwd.
George : Vertel mij dan maar eens hoe ik het beter zou doen, dominee.
Philip : Zou het niet beter zijn als je je dat zelf afvroeg, dokter George Tegel?
George : Bij mij krijg je geen kans om ruzie te maken. Daar sta ik boven.
Philip : Is me bekend, meer dan bekend. Ik weet hoe makkelijk jij je afsluit. Misschien lucht het op als ik je zeg wat ik van je vind, joh.
George : Laat ik het zo duidelijk stellen: jij hebt Brendine zwanger gemaakt. Dat heeft ze me vertelt.
Drukkerij Tegel, die haar vijf jaar werk heeft verschaft en haar wegens reorganisatie heeft moeten ontslaan is voor die zwangerschap niet verantwoordelijk. Maar ze heeft wel even het familiebedrijf van mijn broer grondig naar de filistijnen geholpen. Geen verzekering vergoedt die puinhoop, althans voorlopig niet.
Philip : Ik voel dat ik me daar niet mee moet bemoeien.
5. Droog tussen de buien door.
Brendine:
De verwarming. Ik schakel de thermostaat uit en zet alle radiatoren op de hoogste stand. De drukpers. De trots van het bedrijf en de grootste investering in haar twintigjarig bestaan: ik schakel de juiste knoppen in, laad het reservoir tot hoog boven de streep en geef via de computer een pracht van een opdracht.
Het denderen dat aanzwelt, is in de koffiekeuken waar ik mijn sokken uittrek, goed te horen. Mijn huishoudhandschoenen gaan uit als ik eenmaal over de betonnen schutting ben. Het regent nog steeds en ook mijn broodheer houdt het niet meer droog.
Bregtje : George heeft me vannacht gevraagd om het stil te houden, tot we weten wat we moeten doen.
Brendine: Hoezo? Is het zoiets bijzonders?
Philip : Voor zover ik weet, is de hele situatie nog niet bij de politie bekend. Het is nog even veilig,joh.
Brendine: Lijkt me sterk. Ze zullen er vanwege een of andere slimme reden wel geen ruchtbaarheid aan geven. Maar weten doen ze het, net als de verzekeringsmaatschappij. Ik heb de wouten vanuit een benzinestation gebeld. Bregtje: Héél bijzonder, hè Philip? Of niet soms?
Brendine: Zo iets moois is het wachten waard.
Philip : Zo moet je niet praten. Of snappen jullie niet dat we op elkaar zijn aangewezen? Als we hier goed uit willen komen, moeten we elkaar niet gaan zitten afkraken.
Bregtje : Mooi gepraat. Ben jij wel ergens goed in? Je bent vooral erg goed in open deuren intrappen en naar de bekende weg vragen. Waarom dacht je dat George weggelopen is?
Brendine: Een ding kunnen ze niet van me afpakken. Ik ga jouw kind krijgen, Philip, en ik zal het opvoeden ook.
Bregtje : Zodra je het alleen afkunt, moet je alles zelf proberen.
(deel 4 en 5 uit het hoorspel Ook wel geluk, verschenen in Letterlik 1998)
4.Warmte van de eerste dooi.
Philip : Die manier van denken van Bregtje bevalt me niet. Als ik geluk heb zie ik haar eens in de drie maanden.
George : Je kunt je hart tegen mij luchten. Geen vrouw of vriendin die je daarbij in de weg zal staan. Ook niet dat je de laatste jaren niet alleen met Brendine maar ook met mijn Bregtje hebt gescharreld.
Philip : Daar heb ik evenmin bezwaar tegen, joh.
George : Laatst kreeg ik voor het eerst sinds drie maanden Bregtje op bezoek. Haar verhalen beginnen steeds meer op eisen te lijken.
Philip : Net als Brendine heeft Bregtje mij vaak voorgelogen, daar ben ik niet blind voor geweest. Daarom blijft het ook goed dat we van tijd tot tijd zonder de mokkels even bijpraten.
George : Het wisselt nogal met die twee.
Philip : Die Bregtje. Juist door die aambeien is ze zo spontaan geworden.
George : Doet me deugd, dat van jou te horen.
Philip : Seks zet je aan het denken en gaat met je aan de haal voor je het weet,
joh. Mooie uren gehad, zowel met Bregtje als met Propje. Maar er broeit iets bij die twee.
George : Nu praat je er heel anders over.
Philip : Ik kan het niet licht opnemen als Bregtje en Brendine er bij zijn. Voor die twee is alles meteen waar, honderd procent en niet meer te veranderen.
George : Vaak ben jij zo lekker zelfvoldaan, omdat je nou eenmaal denkt dat je beter dan die stukken bent. Dat voelen ze, maak je maar geen illusies.
Philip : Ik blijf ongevaarlijk voor iemand die een rotzak voor alle goede mensen rond om hem heen is,joh.
George : Mooi verpakt, maar zo langzamerhand krijg ik het idee dat ik dit soort beschuldingen van jou vaker heb gehoord.
Philip : Even kort en duidelijk, George. Weet jij van wie het kind van Brendine is?
George : Daar laat Brendine me nooit achter komen. Brendine en ik zijn meer uit elkaar gegroeid dan jij voor mogelijk hebt gehouden. Jij bent zo lekker zelfvoldaan omdat je denkt dat je beter bent.
Philip : Volgens mij is het jou niet duidelijk wat je zelf doet. Je hebt de afgelopen jaren herhaaldelijk gezegd dat je uit ons groepje af zou haken, maar je blijft bij ons en gaat gewoon je gang net zoals het jou uitkomt.
Daarmee is de kous voor jou nog niet af. Want jij bent gescheiden en vrijgezel, joh, en ik ben getrouwd.
George : Vertel mij dan maar eens hoe ik het beter zou doen, dominee.
Philip : Zou het niet beter zijn als je je dat zelf afvroeg, dokter George Tegel?
George : Bij mij krijg je geen kans om ruzie te maken. Daar sta ik boven.
Philip : Is me bekend, meer dan bekend. Ik weet hoe makkelijk jij je afsluit. Misschien lucht het op als ik je zeg wat ik van je vind, joh.
George : Laat ik het zo duidelijk stellen: jij hebt Brendine zwanger gemaakt. Dat heeft ze me vertelt.
Drukkerij Tegel, die haar vijf jaar werk heeft verschaft en haar wegens reorganisatie heeft moeten ontslaan is voor die zwangerschap niet verantwoordelijk. Maar ze heeft wel even het familiebedrijf van mijn broer grondig naar de filistijnen geholpen. Geen verzekering vergoedt die puinhoop, althans voorlopig niet.
Philip : Ik voel dat ik me daar niet mee moet bemoeien.
5. Droog tussen de buien door.
Brendine:
De verwarming. Ik schakel de thermostaat uit en zet alle radiatoren op de hoogste stand. De drukpers. De trots van het bedrijf en de grootste investering in haar twintigjarig bestaan: ik schakel de juiste knoppen in, laad het reservoir tot hoog boven de streep en geef via de computer een pracht van een opdracht.
Het denderen dat aanzwelt, is in de koffiekeuken waar ik mijn sokken uittrek, goed te horen. Mijn huishoudhandschoenen gaan uit als ik eenmaal over de betonnen schutting ben. Het regent nog steeds en ook mijn broodheer houdt het niet meer droog.
Bregtje : George heeft me vannacht gevraagd om het stil te houden, tot we weten wat we moeten doen.
Brendine: Hoezo? Is het zoiets bijzonders?
Philip : Voor zover ik weet, is de hele situatie nog niet bij de politie bekend. Het is nog even veilig,joh.
Brendine: Lijkt me sterk. Ze zullen er vanwege een of andere slimme reden wel geen ruchtbaarheid aan geven. Maar weten doen ze het, net als de verzekeringsmaatschappij. Ik heb de wouten vanuit een benzinestation gebeld. Bregtje: Héél bijzonder, hè Philip? Of niet soms?
Brendine: Zo iets moois is het wachten waard.
Philip : Zo moet je niet praten. Of snappen jullie niet dat we op elkaar zijn aangewezen? Als we hier goed uit willen komen, moeten we elkaar niet gaan zitten afkraken.
Bregtje : Mooi gepraat. Ben jij wel ergens goed in? Je bent vooral erg goed in open deuren intrappen en naar de bekende weg vragen. Waarom dacht je dat George weggelopen is?
Brendine: Een ding kunnen ze niet van me afpakken. Ik ga jouw kind krijgen, Philip, en ik zal het opvoeden ook.
Bregtje : Zodra je het alleen afkunt, moet je alles zelf proberen.
(deel 4 en 5 uit het hoorspel Ook wel geluk, verschenen in Letterlik 1998)
Donderdag, 26 november 2009
Spruw
Asphalt rook op zijn invoegst. Regen danste en en spatte mis. Toekomst vergeelde in Damp op Damplein en mengde grondmist. Dagmars ter stede schoof schuld in schoenen tot langer tenen bloedblaar. Teef griste vlak voor de mond haar leeftocht. Zo naderden zwakkeren kwaad het daglicht. Terwijl doofblinde linde stomme koe beloofde, zocht bloedarmoededarm moede voor donderdag onderdak. ‘Balk,’ riep deze ezel onder bladerdak. ‘Dader nader,’ loeide de koe. Driftkikker in duizendvoud groen besprong de rijstrook dikker dan ooit. Waarschuwing frikte wijsvinger, maar asphalt kleurde in groen en rood onder verkeer.
Een spreeuw verkortte tot diep in zijn strot:’ Asphalt rook op zijn invoegst.’
Een spreeuw verkortte tot diep in zijn strot:’ Asphalt rook op zijn invoegst.’
Donderdag, 17 september 2009
Braamsch
’t Bedevaartsoord Concertgebouw vult verborgen gebreken en aanbidt de buitenbuidelbaarmoederlijke zwangerschap, waarvan daad en draad bevers storen. Wat godsvrucht wrocht mocht de made in gebroken ademtocht verbergen, dan nog rest de scheldwoordschool van kapelaan Uyttenkraage de uitlaatklep, de taalkluit, kaaltuit, taakuil en luikt uit tot hol waar baardspecht spreekt over haarspeldbocht.
‘Jawohl,’’ verklaart de Amerikaanse dirigent te Berlijn: ‘Schubert, Schumann, Shoepolish? Chopin? Too Polish to be Braamsch.’
Allegro heet bij hem prestissimo en in zijn largo waant de winterslaap.
‘Zu alt für Sopran,’ verklaart de Amerikaanse dirigent te Berlijn:'Mehr Knallgas als Callas.’
’t Bedevaartsoord Concertgebouw vult verborgen gebreken en aanbidt de buitenbuidelbaarmoederlijke zwangerschap, waarvan daad en draad bevers storen. Wat godsvrucht wrocht mocht de made in gebroken ademtocht verbergen, dan nog rest de scheldwoordschool van kapelaan Uyttenkraage de uitlaatklep, de taalkluit, kaaltuit, taakuil en luikt uit tot hol waar baardspecht spreekt over haarspeldbocht.
‘Jawohl,’’ verklaart de Amerikaanse dirigent te Berlijn: ‘Schubert, Schumann, Shoepolish? Chopin? Too Polish to be Braamsch.’
Allegro heet bij hem prestissimo en in zijn largo waant de winterslaap.
‘Zu alt für Sopran,’ verklaart de Amerikaanse dirigent te Berlijn:'Mehr Knallgas als Callas.’
Maandag, 8 juni 2009
Frysk
Beurtelings slaan de dansers met klompen op hun hielen, hun knieën, hun dijen en tenslotte hun partner links en rechts om de oren. Toch is dansen hier geen verticale verbeelding van een horizontale intentie. Verbeelding en intentie worden in Friesland nu eenmaal op een andere en unieke wijze geuit.
Friese hersens zijn reeds ver voor de eerste Elfstedentocht volledig doorgevroren, hetgeen de hoge mate van verstijving van deze grijze massa verklaard.
Alle moedige Drenten, Sallanders, Tukkers, Groningers en Geldersen ten spijt: alleen in Friesland en ook nog op tijd is er een hart dat voor u slaat. Buiten deze provincie is voor de echte Fries niets meer om voor te leven. Wie de oorsprong van het Amerikaanse woord freak (=idioot) zoekt, moet zich niet verbazen als het bijvoeglijke naamwoord frysk hier aan ten grondslag ligt.
Maar zelfs in Dokkum en omstreken blijkt het volk in zijn plaggenhutten onderhevig aan stemmingen. In schrale rietlanden en zompige weiden manifesteert zich voortdurend een woeste en primitieve drang, die tracht zich een weg naar de oppervlakte te banen.
Dit vage gevoel van onvrede doet bij Friezen afbreuk aan hun tevredenheid en werkt belemmerend op het doel dat zij zich voor ogen hebben gesteld.
Is de Friese cultuur en taal voldoende recht gedaan, of ligt er niet een nog groter doel dat verwezenlijkt dient te worden?
De erkenning door de Nederlandse overheid van de Friese taal, van elk plaatselijk en gehuchtelijk dialekt en van elk individueel spraakgesprek als algemeen geldende voertaal is voor veel Friezen nog slechts het begin van een lange weg. Nu de eerste stap is gezet en elk buurtschap een Bijbel en een telefoonboek in zijn eigen zo specifieke dialekt bij elkaar heeft gezeurd, gaan er achter de literflessen berenburger lalstemmen op om de rest van Nederland te koloniseren.
Dit streven, net als het afdwingen van respekt voor eigen taal en cultuur, vloeit voort uit aan gebrek aan gevoel van de ene medemens voor de andere.
Voorlopig vertalen Friese moppentappers oudbakken moppen in hun lokale snauwspraak en presenteren het resultaat als unieke en kenmerkende hoogstandjes uit hun cultuur. De samenhorigheid van deze zichzelf doelbewust isolerende minderheid wordt door deze culturele uitingen enorm bevorderd. Het is een gevoel dat anderen dan de bewoners van deze provincie niet snel zullen herkennen.
Grote uitvindingen, ontdekkingsreizen en revoluties hebben onze wereld hebben gemaakt tot wat hij nu is. Geschiedenis leert ons dat noch in het verleden, noch in het heden er iets van wezenlijk belang voor deze ontwikkelingen uit Friesland is gekomen.
Het is daarom positief en verheugend dat Friesland voor het eerst sinds eeuwen overweegt iets wezenlijks voor de omringende wereld te betekenen. Friesland zelf kan het de mogelijkheid geven om in Europees verband hoog van de toren te blazen.
(verscheen in 1997 in Letterlik, literair tijdschrijft Nijmegen)
Zondag, 7 juni 2009
Vooruitzichten
‘Hoe Tandwolf Bij Pindarotsen Op De Klippen Loopt’ zien we in de volgende aflevering van ‘Hoe Vergadertijger Op Kanonnenvoer Zijn Gebit Uitbijt,’ leert ons de aanstaande aflevering van ‘Hoe Schijtlijster Bij Kakvolk De Poepdoos Bekladt,’ weten we van de vorige aflevering van ‘Hoe De Straat In Beide Rijrichtingen Openligt En Ver Onder Rioolbuizen Grondwater Glanst, wordt verteld in de aflevering van ‘Hoe Rijen Grafstenen Op Het Gebit Van Een Oude Snoeper Lijken, Die Zijn Tanden In Een Taaie Typiste Wil Zetten’ tijdens de uitzending van Hoe De Koekoeksklok Haar Ei In Een Nest Vol Stilte Legt En Daarmee Al Het Andere Verjaagt,’ komt in de allerlaatste aflevering van Hoe Herhalingen Zowel In Zomer Als In Winter Het Failliet Van De Kijkdoos Uiterst Precies Tekenen.’
(Pagina 1 van 2, totaal 16 artikelen)
volgende pagina »



Reacties